Leo heeft vaak de Romeinenplek in de Peel bezocht.

“Ziener van de Peel” ontmoet Romeinse officier Basilius weer

Op 17 juni 1910 deed de Meijelse turfsteker Gebbel Smolenaars in Helenaveen een van de belangrijkste archeologische ontdekkingen op Nederlandse bodem, toen hij in het Zinkske voor de firma Steegh & Esser grauwveen stak en daar de bekende verguld zilveren Peelhelm vond.

De helm is een topstuk uit de Nederlandse archeologie en vormt daarom een vast onderdeel van de presentaties in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ondanks het wetenschappelijke belang van de vondst tonen wetenschappers lange tijd niet de interesse die de helm verdient. De archeologen van Leiden worden drie dagen na Gebbels vondst al op de hoogte gebracht door de Roermondse landmeter Van Beurden. Zij vinden het echter niet nodig om naar de Peel te komen om de archeologische context te bestuderen. Het Rijksmuseum van Oudheden vindt het zelf bemachtigen van de helm en alle bijvondsten belangrijker. En dat lukt ook. Gebbel verkoopt op 31 augustus 1910 op het station van Deurne de helm voor 1200 gulden aan onderdirecteur Holwerda. Een halve eeuw later besteedt museummedewerker Braat meer aandacht aan de helm en de andere Romeinse voorwerpen, zoals een mantelspeld, resten van een zwaard, paardenbelletjes, leren schoenen, textiel en andere stukken leer. De 39 koperen munten dateren van 315 tot 319 na Christus. De Peelhelm is na 319 in het moeras terechtgekomen. Braat wijdt er een Duitstalige publicatie aan. Met de meeste delen van het leer weet hij niet goed raad.

De Amsterdamse archeologe Carol van Driel weet dat wel. Bij leeronderzoek in de jaren 1990 wekken de lappen Peelleer haar bijzondere interesse. Vanuit haar ervaring met leervondsten elders denkt ze al snel dat de grote lappen van een Romeins soldatententje zijn en niet horen tot een paardentuig, wat al meteen na de vondst in 1910 gesuggereerd werd. Ze maakt er een speciaal onderzoeksproject van en komt met de steun van anderen tot nieuwe verhalen over het gebeuren rond 320.
Die anderen zijn de Liesselse bioloog Hans Joosten en de Spanjaard Aitor Iriarte. Joosten onderzoekt de nog aan het leer klevende stuifmeelkorrels. Hij vindt stuifmeelkorrels die jonger zijn dan 320 jaar, maar ook die ouder zijn. Dat betekent dat het leer destijds in het veen moet zijn gedrukt, zodat het in aanraking kwam met ouder veen. Ook heeft het leer nog een tijd boven het veen uitgestoken, anders kunnen de jongere stuifmeelkorrels er niet aan kleven. Dat moet dan wel onder water zijn geweest, anders zou het leer zijn weggerot. Met de onderzoeksgegevens kunnen Van Driel en Joosten zich ook een beeld vormen van het Peellandschap rond 320.

Iriarte reconstrueert graag Romeinse militaire uitrusting en ook hem intrigeerde de Romeinse Peelhelm. Hij kwam tot het inzicht dat de gevonden leren buidel niet een geldbuidel is, wat ook vanaf het begin van de vondst gedacht is. Daar is hij veel te groot voor. Maar wat past er precies in? De Peelhelm! Het is volgens Iriarte en Van Driel dus de helmzak. Van Driel komt op basis van haar eigen onderzoek en die van Joosten en Iriarte tot de wetenschappelijke conclusie dat de helm en andere spullen in één pakket destijds in de Peel als een offer gedeponeerd zijn. Het aardige van die wetenschappelijke onderzoeken is dat het zo waterdicht lijkt, maar dat de onderzoekers ook toegeven dat ze het niet zeker weten. Men is er zelf toen niet bij zijn geweest en moeten 1700 jaar later een onderzoek doen met compleet andere situaties voorhanden. In 1994 al zijn leerlingen van het Varendonckcollege uit Asten-Someren met een iets andere offertheorie gekomen. Met hun docent biologie Piet Blankers en ondersteuning van de Universiteit van Utrecht hebben ze een leuk onderzoek naar de Peelhelm gedaan.

Het gewone Peelvolk heeft zich meteen na de vondst van Gebbel door de helm laten fascineren. Bij het haardvuur werd de sage van de dolende ridder verteld. Deze sage verhaalt van een rijke ridder die verdronken is in het veenmoeras. De lokale bevolking heeft hem de Peel in gejaagd. Later zal hij met zijn gouden schatten gevonden worden. Wanneer is dit volksverhaal ontstaan? De een denkt dat het al in de 17de eeuw voor het eerst is verteld, een ander gaat uit van het ontstaan na 1910.

Voor één Peelbewoner is de Peelhelm en zijn eigenaar heel bijzonder geweest. Leo Kluytmans heeft de helm ervaren als een ware verrijking van zijn leven en als “ziener van de Peel” is hij er zelf ook bijzonder door geworden. Leo heeft vaak de Romeinenplek in de Peel bezocht en afgezocht, zoals de foto bij dit stukje laat zien. Rond het gouden jubileum van de vondst van de helm kreeg Leo op 1 mei 1960 een helpende hand toegestoken door de vermoorde Romein op diens graf. Uit die hand kreeg Leo een steen, de verbindingsschakel tussen hem en de in de Peel begraven Romein. In de nacht van 5 mei 1960 ontving hij de tweede 'Grote Boodschap'. Leo ontmoette de Romein in zijn slaapkamer en kwam achter diens naam: Basilius. Hij wist dat er nog een ontmoeting zou volgen.
In het dertiende jaar van Leo’s belevenissen, in 1973, was het zover. In de nacht van 26 op 27 augustus werd Leo fietsend verplaatst naar Meijel, 8 kilometer van huis. Automatisch stapte hij af bij de kerktoren. Die nam plots de vorm aan van een Gothische kathedraal. Hij werd reusachtig groot en reikte tot de wolken, die er in slierten omheen dreven. De vele beelden begonnen te leven en Leo raakte met hen in gesprek. Pas later drong het tot hem door dat onder hen Basilius en Jezus aanwezig waren.
Had Leo in 1960 een ontmoeting met Basilius in zíjn slaapkamer, in Asten zullen de geesten van “de Romein” en “de ziener” elkaar weer ontmoeten in de slaapkamer van de Romein. In de gereconstrueerde leren soldatentent zal in 2010 in het museum van Asten continu een animatie vertoond worden van de beleving van Leo Kluytmans bij de Meijelse kerk. Ook vondsten van Leo op en in de buurt van de Romeinenplek zullen er te zien. Daarnaast zal het onderzoek van de leerlingen van het Varendonckcollege uit Asten-Someren uit 1994 middels toenmalige televisie-uitzendingen onder de aandacht worden gebracht. En natuurlijk krijgt ook Gebbel Smolenaars een mooie plaats op die tentoonstelling. Met hem zijn de verhalen over de Helm van Deurne begonnen.
Bijna levensecht zal hij gepresenteerd worden en in een animatie zal getoond worden wat er allemaal met hem en de helm gebeurt tot de verkoop aan het het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden op 31 augustus 1910. Nieuwsgierigen konden bijvoorbeeld bij hem thuis voor een dubbeltje de helm zien. En dat mochten ook belangstellende bezoekers van de markten in Helmond, Venlo, Roermond en Weert. Met de helm in een kistje achterop zijn fiets ging Gebbel met Har Hanssen naar die markten. Har had het kistje voor Gebbel getimmerd.
Er overkwam Gebbel echter veel meer in die tweeëneenhalve maand dat hij de Peelhelm bezat. Dat wordt allemaal verteld in het Nationaal Beiaard- en Natuurmuseum in Asten van 18 december 2009 tot en met 31 december 2010, een eeuw na deze belangrijke archeologische vondst.

Reactie plaatsen

Naam

E-mail

Bericht

Reacties worden geladen...
Ontdekken
Notten verspreidt zich over Zuid-Oost Brabant
Het houten kruis bij de boerderij van Frans Maas.
De ets van Jan Georg van Vliet is getiteld “De Rattendoder”. Omdat ratten de pest overbrengen werkte de rattendoder voor de “openbare gezondheidszorg”.
images/hourglass.png

ZOEKEN...